Menu Home

De oranje mijnschacht

Peter Terrin, Yucca (roman, De Bezige Bij, 2016)

Beste Peter, wat moet ik in godsnaam bespreken? Ik heb je roman ademloos uitgelezen, mijn aders trillen nog na van de suspense, mijn lichaam beweegt onrustig alsof ik alle kleren met één zwaai van me af wil gooien. Na je laatste bladzijde loop ik versuft, verdwaasd door mijn huiskamer. Ik kijk door het raam naar de stilliggende herfstbladeren in de tuin en vraag me verbaasd af waar je deze magie vandaan hebt. Ja, ik kan niets anders bedenken dan dat stomme woord ‘magie’ en dat stoort me natuurlijk. Dus roep ik de strakke gotiek van je roman weer op en sla de mistige stemming uit me weg. Redacteur Frank Hellemans beschreef je stijl ooit  als “pijnlijk precieze vertelkunst” en ik zou geen betere formulering weten. Ik loop opnieuw langs mijn aantekeningen over de verhaallijnen en karakters en – houd mijn kleren aan. Langzaam ontstaat er een ander verhaal in me, een soort totaalervaring waarvan ik zeker weet dat ik die niet gelezen heb. Ik denk daardoor terug aan die oude, bijna vergeten literaire held, de schrijver door wie je ooit bent gaan schrijven: “Alleen dan is het voor een schrijver de moeite waard te hebben geschreven, als hij de zekerheid heeft hardop uit te spreken wat zijn publiek wel heeft geweten, maar altijd heeft verzwegen; wat het gedroomd heeft, maar bij het ontwaken verdrongen.” (W.F.Hermans, Antipathieke romanpersonages. (1960) In: Het sadistisch universum, 5e verm. druk 1967).

yucca  Over Peter Terrin (persoonlijk interview van VN journalist Jeroen Vullings, 2012, na het verschijnen van Post Mortem)

Yucca is de zevende roman van de inmiddels internationaal bekende Vlaamse auteur en vogelaar Peter Terrin. Daarnaast is hij bekend door zijn inzet en engagement voor de vluchtelingensituatie in Calais. In Yucca komen drie verhaallijnen samen die uit eerdere publicaties stammen van de schrijver.

  1. Allereerst het verhaal van Viktor uit de roman Blanco  (2003).  De celbioloog Viktor verliest daarin zijn vrouw Helena door een brute carjacking en komt in shock, begint gevaarlijk te hallucineren. Hij sluit hun tienjarige zoon Igor op in zijn kamer uit angst voor allerlei gevaren in de jungle van de buitenwereld. Viktor vervreemdt steeds meer van zichzelf en heeft zelfs de dood van Igor niet meer door. In Yucca zijn we elf jaar verder en komt Viktor net uit de gevangenis. “‘Je hebt je tijd uitgezeten. Meer kan je niet doen…’ Meer kan je niet doen, hoorde Viktor. Hij wurgde de cipier, het visioen overviel hem. Hij greep naar zijn nek…zou morgen over de moord lezen in de krant…Viktor nam een sigaret en liet de film die hij net voor zijn ogen had gezien omgekeerd afspelen…het pistool naar de holster, het hart van de man stuwde het bloed weer door zijn aderen, zijn ogen knipperden en hij zei: ‘Meer kun je niet doen.’ Je kon altijd meer doen.”  (Blz.18) Viktor komt in een re-integratietraject terecht, gaat wonen in een studio van “De Gier” en begint te werken als chauffeur in een cateringbedrijf met de naam Yucca. Binnen drie weken raakt hij verstrikt in de intimiteiten van de mensen die daar werken, vooral zijn drie angels: Lisa, “het troostende bruin van Mieke’s huid” en Suzanne.
  2. De tweede verhaallijn is die van Renée, de vierjarige dochter van de schrijver Emiel Steegman, een karakter uit Terrin’s bekroonde roman Post Mortem (2012). Renée krijgt daarin een hersenbloeding en haar leven zweeft op het randje van leven en dood. Ze herstelt, maar blijvend hersenletsel is het gevolg, terwijl haar vader, de schrijver, overlijdt aan een ongeneeslijke ziekte. In Yucca zijn we een kwart eeuw verder. Renée heeft met haar lichte hersenletsel leren leven en is in 2035 een internationaal bekende, maar anoniem blijvende kunstenares geworden, die afgezonderd van de buitenwereld met haar assistent Steven in een riant kasteel woont. Ze heeft een vijfjarig zoontje, Willem aan wie ze haar leven vertelt via een opname, voor later als ze er niet meer zou zijn door een tweede fatale hersenbloeding. Het blijkt dat ze na de dood van haar vader ook haar moeder en oma verloren heeft door een auto-ongeluk. Daarna is ze bij haar opa gaan wonen, een rechercheur van de Belgische politie.  “Zonder hem was ik na de dood van mijn ouders verloren geweest, overgeleverd aan een instelling. Zonder hem had ik dit nooit ingesproken, en zou jij, mocht ik binnenkort sterven, nooit hebben begrepen wat er gebeurd was, en hoe.” (Blz. 327). We maken in de roman kennis met haar drie toekomstige kunstprojecten, waarin ze haar eigen doodsangst geleidelijk aan weet te sublimeren in de verlossing van anderen.
  3. Tot slot het verhaal van een oudere politie-inspecteur die getuige was van het gemaskerde bloedbad in Aalst op 9 november 1985 door de Bende van Nijvel: “…dit dossier, dit nationale trauma dat over meer dan dertig jaar en achtentwintig doden en honderdduizenden bladzijden is uitgesmeerd…” Verleden jaar werd juist in Aalst, dertig jaar na dato, de toneelpremière van Verdacht (2015) vertoond, een aangrijpende monoloog van de inspecteur over het bloedbad, op tekst van Peter Terrin. regie van Barbara Vandendriessche en spel van Tom Van Bauwel.  In Yucca komen we hem weer tegen, door zijn collega’s nu schertsend ‘de priester’ genoemd, vanwege zijn eigenaardige verhoormethodiek om zich tegenover de verdachte kwetsbaar op te stellen. Terrin gaat in Yucca een stap verder dan in Verdacht waar de beleving van het bloedbad centraal staat. Via Renée, zijn kleindochter, wordt de rechercheur in de gelegenheid gesteld om zijn eigen verhaal over het drama sluitend te maken, de identificatie van de daders: “…ik weet wat ik destijds op de parkeerplaats gezien heb.”

 

De lezer is vrij om te oordelen. Het plot is te uniek om te verraden en wordt pas echt op het einde duidelijk. ‘Wat het meest voor de hand lag, zag hij pas op het laatst.”

Wat de roman voor mij een bijzondere, ‘magische’ laag geeft is dat alle personages niet alleen als slachtoffers worden neergezet, maar ook als daders, als de bezweerders van hun eigen lot. Iedere stap verandert de toekomst. De roman heeft daardoor niet alleen de typische Terrin-suspense, waarin laagje voor laagje de sluiers van informatie worden onthuld, maar krijgt daardoor ook een soort rust in de compositie, alsof alles ‘een groter doel’, een zin dient. Dit wordt met name zichtbaar in het volwasseneleven van Renée tot aan 2035. Zij is het centrale personage van Yucca, zij is de ik-figuur, zij bezweert de situaties met haar tellen. Haar alter-ego blijft beroemd en aanbeden als de grote hoop voor verlossing in de wereld, zelfs als ze in haar laatste project wordt ontmaskerd, maar: “Mensen wilden aangeraakt worden. Ik was een tovenares in een sprookjeskasteel, bijna zes jaar lang.” Het is met haar verhaal dat alle personages beginnen te leven en met haar inzicht eindigt ook de roman. In de laatste bladzijde ligt ze onder een oranje zonsopkomst, de lievelingskleur van de kleine Willem. “Het is een bezwering. Het is tellen met woorden.” (Blz. 195) Yucca is zonder twijfel een verlossingsdrama. “Als de yucca bloeit, komen er aan een hoge steel witte bloempjes die zich ’s nachts niet sluiten voor de kou. Mensen zien er de geesten van hun dode geliefden in die over het kerkhof zweven.”

In het cateringbedrijf met dezelfde naam is een vriesruimte achter slot en grendel waar niemand mag komen, “…beter georganiseerd dan de koelcel. De rekken waren recenter, geen metaal maar een matzwarte kunststof. Alles was bedekt met een dunne laag ijs. De warme lucht die binnenstroomde trok een mist op en verduisterde de lampen aan het lage plafond. Lampen die door hun robuuste vorm en beschermkappen het schouderbrede middenpad de aanblik van een mijnschacht gaven, een portaal; aan het eind, dat hij niet kon zien en dat weer breder zou worden, bevond zich een andere wereld.” Later wordt Viktor door zijn compagnon Claude onverwacht tegen de grond geslagen en ziet hij even die ‘andere wereld’. Hij denkt daar vreemd genoeg met weemoed aan terug:  “Hij verlangde naar de pijn. Nee, niet naar de pijn, maar naar wat de vuistslag van Claude teweeg had gebracht, waar hij geweest was, in dat stille donker met Helena en de anderen, met Igor misschien. Hij verlangde naar die plotselinge afwezigheid, die verwondering, die had aangevoeld als een fysieke plaats, de schacht van een oude spoorlijn. Hij overwoog in alle ernst om zijn hoofd tegen de muur te slaan, niet te hard, niet te zacht. Hij keek naar het stukje wand tegenover de keuken, zocht als het ware een geschikte plek, een toegang naar de twee mensen van wie hij hield.”

Door de pijn naar het zonlicht. Dat is de oranje gloed die door de hele roman opdoemt uit het donker. Zorg dat die niet uitsterft, Peter.

 

© Jan van Beersum, 2016

 

 

Facebooktwitterredditlinkedin

Categories: Boekbesprekingen

Tagged as:

Jan van Beersum

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *