Menu Home

Als ik weg was zat ik op het station

Jan Cremer, Odyssee – Fernweh (roman, De Bezige Bij, 2016) –

Het boek dat ALLES veranderde, begon zo: “Ik werd geboren aan de vooravond van de tweede wereldoorlog. Die nacht mistte het. Er woei een gure wind, de straten waren leeg en Mamuszka haastte zich naar het ziekenhuis, onder haar arm een bundeltje inderhaast bij elkaar geraapte kleren. Het was een grote, roetzwarte fabrieksstad aan de Duitse grens waar ik ter wereld kwam. Er waren twee Duitse zusters bij de bevalling aanwezig en ik zou Adolf heten (die zelfde dag gaf Hitler een feest ter gelegenheid van zijn verjaardag in de Zwarte Bunker van de Adelaar). M’n moeder vond dat ik János moest heten, maar noemde mij naar mijn vader Jan (mijn vader was er niet, hij was op reis in Turkije en sliep tussen de geiten en Turkse boerinnen). Mijn sterreteken is Ram (ascendant Leeuw) zoals bijvoorbeeld Lenin, Landru, Jayne Mansfield, Chroestsjov en Vincent van Gogh. Stormweer kondigde mijn eerste levensdag aan en Mamuszka ging weer naar huis met onder de andere arm ik. Ons huis was kil en koud en ik werd met de blanke moederborst gevoed.” (Ik Jan Cremer, 1964)

werkschemajancremer Werkschema Ik Jan Cremer Drie (2008); links in kwadrant 5, onder de voorover gebukte dame met jarretels en naast het rode hoekje CCCP Mongolia is een stralend lachende foto van Rósza te zien.

Voor kunstenaar / schrijver Jan Cremer is de Twentse aarde de bodem waaruit hij in 1940 als distel werd geboren, “ik ben liever een distel dan een orchidee” (1974, in: De Cremer Tapes, 2006). Die bodem bestaat echter niet alleen uit grote, sappige kluiten vruchtbare aarde, maar ook uit zijn geboortestad Enschede zelf, de “roetzwarte” textielstad van de veertiger en vijftiger jaren. En met deze stad de raadsels rond zijn beide ouders, “twee vulkaanuitbarstingen” die maar drie jaar in Enschede samen woonden.

Cremer verwoordt in Odyssee-Fernweh in eerste instantie makkelijk in het oog springende verbanden, maar naarmate de roman vordert, neemt hij de lezer mee in het raadsel dat hem de afgelopen halve eeuw op zijn reizen vergezelde, namelijk wie zijn ouders eigenlijk waren, los van de genetische band.

Net als zijn vader houdt hij van reizen, het licht en de natuur, “eene bladzijde van het groote Scheppingsboek, van worden, veranderen en  verscheidenheid, ” schrijft Cremer Senior. Cremer Junior stelt blijmoedig vast, ook “…ik hou van distels. Dat prachtige verbleekte groen, dat zachte olijfgroen. Distels staan als eerste weer op de velden, de akkers en graslanden als de door de winter geblakerde weilanden weer tot leven komen. Als het gras nog verdord is, de bladeren verdroogd en knisperend onder voetstappen. Als het hoge gras als vervaalde sprieten nog neergeslagen ligt en het nieuwe gras en opgerolde varens tastend en weifelend overeind aan het komen zijn staat de distel al lang en fier overeind. Onaantastbaar, ongenaakbaar.” (Blz. 58) Zijn anarchistische over de aarde fietsende vader heeft Jan Cremer nooit gekend, want die overleed in 1942 toen hij pas twee jaar oud was. Zijn uit Hongaarse militaire adel stammende moeder wel. Dat wil zeggen, wat is kennen? Pas vijf jaar geleden wordt de wereld achter “de zwijgende moeder” zichtbaar: “…tien jaar na haar heengaan kijk ik voor het eerst de nagelaten papieren van Rósza in…Ik leer nu eindelijk mijn moeder kennen. Denk ik.” (Blz. 256)

In De Hunnen, het omvangrijke, orgastische epos over de Maygaren-wortels van moederskant schrijft Cremer bijna mozaïsch over zijn eigen scheppingsmoment op het Hongaarse platteland: “Die hete en donkere vooravond eind juli, in de Hondsdagen van 1939, terwijl donder en bliksem om zich heen sloegen en de aarde deden sidderen, werd ik ingelijfd in het leger der eeuwige Heimatlozen.” (in: De Hunnen, Oorlog – Bevrijding – Vrede, 1984). Hier, in Odyssee – Fernweh zien we een hele andere Cremer. De lezer zal vergeefs naar pornografische details zoeken, er zijn geen explosies van geweld, geen afrekeningen met schijnheilige collaborateurs in Enschede. Niets van dat alles. Het boek is een bijna zakelijk, nuchter gedocumenteerd verslag van de werelden van zijn beide ouders, “twee vreemden” voor elkaar. Bij ruzies “werd in allerijl een Hongaarse knecht erbij geroepen die moest vertalen, want ze verstonden en begrepen elkaar niet.” (Blz. 274) De verstilde toon van de auteur is soms bijna ontroerend, zoals de scène met “de man die ons vrijwel zeker verraden heeft” en die hij na jaren weer ontmoet: “De schoenmaker ziet mij staan, zijn professionele glimlach verdwijnt, staart mij even verstijfd aan…” (Blz. 240)

Het lijkt wel of we met deze laatste roman, het eerste deel van een nieuwe cyclus, opeens in het hart van de storm, “de oorsprong…van mijn onrust” (Blz. 73) zijn beland. Zijn de paarden uit 1942 onverwacht getemd?  De kenner van Cremer’s kunst kent de paarden in zijn werk. Aarde & Vuur. Ze moeten zijn ontwaakt tijdens de begrafenis van zijn vader, want we lezen nu: “Ik had alleen maar aandacht voor de paarden. Schrapende hoeven en snuivende, met zilveren en zwarte versierselen en pluimen opgetuigde paarden, trillende zwarte lijven, onrustig, dampend zweet dat de koude lucht bezwangerde. Ze krijgen zwarte rouwdekens omgegooid tegen de kou en het lange wachten.” (Blz. 180)

cremervoorschilderij  Jan Cremer in De Fundatie, Zwolle (2015) voor de overzichtstentoonstelling Cremer in Verf 1954-2014

De geschiedenisjunk in me koesterend, heb ik deze kleine roman ademloos uitgelezen. Het is een goudmijn vol achtergelaten tijdscapsules die door het kijkglas van een vergeten vader en moeder zichtbaar worden gemaakt.

De vader van de auteur is Jan Cremer Senior (1877-1942), “jager en verzamelaar”. Een man van revolutionaire, anarchistische allure, die wars van alle burgerlijkheid in de gegoede kringen van Enschede over hun huichelarij en de affaires van de Enschedese textielbaronnen een sleutelroman schreef, Hoog aan den Wind. Een manuscript dat zijn moeder jaren na zijn dood heeft weggegooid, samen met ander archiefmateriaal, zoals alle foto’s, negatieven en brieven van andere vrouwen, prachtige dochters die zijn vader allemaal wilde bevrijden uit hun burgerlijke keurslijf. Cremer Senior verdiende zijn inkomen als één van de meest bekwame elektrotechnici die Nederland rijk was, maar gaf dat meteen weer uit aan de talloze reizen die hij maakte. Zijn reisverslagen werden gepubliceerd in verschillende bladen. Hij was een kenner van de nieuwste fotografie. Jan Cremer beschrijft zijn vader als een man die zoveel charme bezat dat hij op iedere plek waar hij was wel een amoureuze verovering maakte en daarmee talloze harten weer brak, maar ook als een puzzel, van vlinder-verzamelaar tot de ultieme namen-verwisselaar, met de fiets over de aarde reizend, routes en kruispunten die bijna niet te volgen zijn, zelfs niet voor Cremer Junior: “Vroeger toen ik zijn reizen probeerde na te gaan werd ik doodmoe na een paar uur en ook nu duizelt het mij al snel….altijd en eeuwig onderweg. Onderweg naar iets of iemand. Die vervloekte onrust, die doem, zit in zijn hele wezen gekerfd. Altijd verder willen, weg willen.” (Blz. 146) Opvallende geschiedenissen komen boven drijven. Zoals zijn heldenrol in de Spaanse Burgeroorlog.  Maar ook zijn reizen door Syrië op zoek naar de verdwenen wereld van de 3e eeuwse Syrische keizerin Zenobia . “Maakte mijn vader zich toen in 1937 zorgen om de verwaarlozing en vervuiling van kostbare monumenten, schoonheid van onschatbare waarde voor de wereld, zou hij ooit gedacht hebben dat een driekwart eeuw later dit alles totaal aan het verdwijnen was… Dat steden als Aleppo, Homs en Damascus in puin zijn geschoten, dat Palmyra is verwoest… dat hele volkeren op de vlucht zijn… het sacrale land krioelt van de strijdende partijen.” (Blz. 198).

jancremersr     Jan Cremer (1877-1942)  

 herbert_schmalz-zenobia  Keizerin Zenobia’s laatste blik over Palmyra (Schmalz, 1888)

In 1937 in het populaire Boedapester café-restaurant Gobé valt Cremer Senior als een blok voor de veertig jaar jongere serveerster, de balletdanseres Rósza Szomorkay Csordás Wendl (1917-2001), de latere moeder van de auteur. Ondanks aanvankelijke weerzin, zwicht ook zij voor zijn charmes. Ze besluit, ondanks verzet van haar trotse familie, die stamt van oude Oostenrijks-Hongaarse militaire landadel, af te reizen naar het grauwe Enschede, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Een beslissing die de rest van haar leven zal tekenen.

cremer4 Jan Cremer met zijn moeder Rósza (1945)   omajancremer  Grootmoeder Rozina (+ 1944)

Na de dood van haar man in 1942, vanwege een gevecht met de bezetter, vervalt Rósza in diepe armoede en wordt gemeden door de bevolking van Enschede, wier taal en omgangswijze vreemd voor haar zijn. De jonge vrouw, gewend om in hoge adellijke kringen te verkeren, ontwikkelt een totale afkeer tegen de aard van de Nederlanders en haar situatie. Dat laat zij echter niet merken. Aan niemand, haar Hongaarse trots is haar alles.  De auteur groeit als kind op onder erbarmelijke omstandigheden, leert zoals ieder oorlogskind stelen en wil altijd weg. Als hij hoort dat zijn oma Rozina uit Hongarije zal komen met de trein, weten ze de kleine Jan altijd te vinden. “Iedereen kende mij. Van stationschef tot de Bahnpolizei en Feldgendarmerie op Grenzstation Enschede. Het jongetje dat op zijn Grossmutter wachte.” … “Als ik weg was zat ik op het station, dat wist de hele buurt.” (Blz. 195)

Na de oorlog worden moeder en kind in Enschede ten onrechte aangezien als vrienden van de Duitse bezetter en raken alles kwijt. Cremer beschrijft in aangrijpende beelden de chaotische vluchtelingenstromen die allemaal eindigen in Grensstation Enschede. Uiteindelijk komt de familie terecht in een duplexwoning op het Acaciaplantsoen in Enschede. Moeder wordt door de plantsoenbewoners “de zwarte weduwe” genaamd en zondert zich van iedereen af. Ze leeft in haat jegens de man die haar dit heeft aangedaan en de naam van Cremer Senior mag nooit meer genoemd worden. Op lusteloze zondagmiddagen zoekt Cremer Junior zijn heil op zolder:  “Ik leidde een fantasieleven…Zijn foto’s en verzamelde ansichtkaarten die hij van elke reis meenam, waren mijn grote inspiratiebron. Op zolder lagen zijn inmiddels door de motten of ratten aangevreten rugzak, een verdroogd vlindernet met gaten, zijn hoed en wandelstok. Een waterpijp uit Turkije, bronzen beeldjes uit het graf van Toetanchamon dat hij als een van de eersten bezocht had.” (Blz. 251) De auteur wordt een rebelse jongen en leert het ware leven in de naoorlogse straten van Enschede. Op zijn vijftiende smokkelt hij tussen de ontheemden en statelozen in het grensgebied van alles heen en weer tussen Duitsland en Nederland. Ook leert hij schilderen van “Pa Nijgh”en voelt daarin zijn uitlaatklep. Net 16 jaar, verdwijnt hij definitief uit Enschede en verlaat het moederlijk huis om marinier, en na het mislukken daarvan, samen met zijn vriend Armando een ‘barbaars’ kunstschilder te worden. Zijn schilderij ‘Barbare’ (1958) is geschilderd in dikke korstlagen monochroom rood.

jan-cremer-1959  Jan Cremer in 1958   jancremerodyssee Odyssee (2016)

Er gebeurt wat moois in paragraaf 135.  De roman breekt opeens met de chronologie als Cremer zijn terugkeer beschrijft na 16 jaar niet meer in Enschede te zijn geweest. Het is 1972. De auteur is dan beroemd en berucht, schildert en reist veel en vooral hartstochtelijk naar verre oorden. Hij loopt door de oude straten van zijn geboortestad en ziet nog een aantal bekenden van vroeger: “Namen waarvoor ik leefde in haat.” Het zijn ontroerende scènes. Daarna wordt de zoektocht duidelijker, een reis naar wat er in zijn ouders omging, wat voor mensen het waren. Eigenlijk kent hij ze niet.

Enkele weken na zijn vertrek in 1956 zal moeder Rósza verliefd worden op een verloren gewaande vriend, haar levensgevoel keert terug, maar de vriend zal de Hongaarse Opstand van 1956 niet overleven. Als het roemruchte debuut van haar zoon in 1964 verschijnt, steken woedende inwoners van Enschede haar huis in brand, ze weet ternauwernood te vluchten. Ze zal nooit met haar zoon over literatuur praten, terwijl ze in stilte alle grote schrijvers leest. Als Jan Cremer in de zestiger jaren in Amerika woont, gelooft ze dat hij bij de CIA zit. In 1973, krijgt ze een tragisch ongeluk, als haar huis opnieuw dreigt te worden afgenomen. Ze zal voor de rest van haar leven halfzijdig verlamd worden, maar tot haar overlijden in 2001 blijft ze trots en slaat de verzorgers in het verpleeghuis met een stok als ze geen respect hebben “Dat was ze zo gewend. Knechten en dienstboden kregen in Hongarije met de knoet.” (Blz. 284)

Als Jan Cremer in 2011 / 2012 voor het eerst de vele cahiers en aantekeningen ziet die Rósza over haar leven voor haar ontmoeting met zijn vader heeft volgeschreven, ontstaat het beeld van een totaal andere moeder dan hij kende tijdens zijn leven.  We maken kennis met de militaire Hongaarse landadel op het hoogste niveau, de glorie van het oude Oostenrijk-Hongarije, de regent Milós Horty, met de adel van haar vaderzijde, haar moederzijde, haar twee broers en haar zus. We zien de ontwikkelingen van haar familie in de Nazi-tijd en in het naoorlogse sovjet-Hongarije. Het beeld van een bijzonder talentvolle vrouw ontstaat. Rósza verkeerde van jongs af aan in de hoogste oud-Habsburgse kringen, wist zich met steun van haar moeder Rozina aan haar militaire opvoeding te onttrekken. Op haar twintigste jaar was ze een gevierd zangeres in Boedapest, met veel vrienden en vriendinnen, een pianiste en een balletdanseres bij het Hongaarse Staatsballet, rijp om te gaan bloeien. Maar door de liefde besloot ze anders.

In 1939 werd Rósza zwanger van de auteur. Ze vertrok met Cremer Senior naar de grauwe textielstad Enschede, waar ze niemand kende. Dat gebeurde allemaal vlák voordat het oude Europa en met Europa haar hele adellijke familie wegzonk in het moeras van een nieuwe wereldoorlog. Een oorlog die haar moeder Rozina Magdolna Wendl, directrice van het Horthy-ziekenhuis in Boedapest het leven zou kosten, “omgekomen bij een Amerikaans luchtbombardement…Een reusachtige vrouw met brede jukbeenderen en diepliggende amandelvormige ogen die streng en hooghartig de wereld inkeken maar ook met een verborgen lach. Ik zou haar nooit in het echt zien.” (Blz. 269) Op het moment dat in het postkantoor het bericht van de dood van oma Roszina binnen komt valt Rósza flauw en denkt de vierjarige dat zijn moeder ook is dood gegaan.

Het is een gewaagd gezichtspunt dat ik hier zeg, maar de auteur werkt er instinctief naar toe, hij benoemt het alleen niet. Maar met een grote mate van zekerheid zou je kunnen zeggen dat het leven van de 20 jarige Rósza tegen wil en dank gered is door de zwangerschap van een kunstschilder die zijn hele leven heeft gewijd aan de symbolen van liefde, oorlog, bevrijding en uiteindelijk vrede. “Het eigenaardige van het leven is dat het bestaat uit bizarre toevalligheden.”(Blz. 200). Of zoals Jorge Luis Borges het zou zeggen: “Het Lot (wat de naam is die wij geven aan de oneindige, onophoudelijke werking van duizenden onderling verweven oorzaken) beschikte anders.” (In: Wereldschandkroniek, 1935)

Een bijzonder boekje. Tijdens een van zijn reizen is Jan Cremer de enige foto kwijtgeraakt met Rósza als balletdanseres. “In mijn herinnering zie ik haar mooie, gespierde benen en die van de andere danseressen weer voor me. Zou ik daarom altijd zo’n hang naar balletdanseressen gehad hebben? Sinds ik in het atelier van Pa Nijgh een boek over Degas in mocht zien, wilde ik met een ballet danseres trouwen.” (Blz. 253) Aldus de getemde.

degashorse  Edgar Degas (1834-1917)

© Jan van Beersum 2016

 

 

 

Facebooktwitterredditlinkedin

Categories: Boekbesprekingen

Tagged as:

Jan van Beersum

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *