Menu Home

Le plat pays qui est le mien

Heleen Debruyne, De Plantrekkers (roman, De Bezige Bij 2016) –

Met iets van Italië dat meekomt met de Schelde… zong Jacques Brel in 1962 over het vlakke land dat het zijne is, het Vlaamse land, tussen de vier winden krakend én zingend, het land …met de loop van de dagen als enige reis. In het westen van dat vlakke Vlaamse land ligt precies in het midden van de vierhoek Brugge, Gent, Rijsel en Duinkerke het provinciaalse Roeselare, een “uit vale baksteen en vlekkerige beton opgetrokken gat” (blz.12). Roeselare is het zwoegende decor waar de roman van Heleen Debruyne zich afspeelt, een prachtig debuut dat begin deze maand bij De Bezige Bij verscheen.

Ondanks de plastische reden voor de keuze van de plaats, dat de schrijfster hier is opgegroeid, vind ik de keuze op zichzelf best een aangename, literaire vondst. De wikipedia geeft aan dat het oude West-Vlaamse oerwoud een vochtig, moerasachtig gebied was, waarin als één van de weinige planten de ‘roese’ kon leven, een saaie maar desondanks taaie rietplant. Om deze ‘roese’ ontwikkelde zich een ‘lare’, een open plaats in het woud waar verschillende waters zich verzamelden, en zo werd Roese-lare geboren. En net als de ‘roese’ probeert ook Debruyne’s hoofdpersonage, de wat stijve informaticus Willem te overleven in de drassige relaties die het dagelijkse leven van zijn eigen ‘lare’ bepalen: zijn geslepen broer Lionel, diens vrouw Sofiya, haar moeder Valentina ‘Mamoesjka’, Danny uit Diksmuide, zijn Italiaanse Mariella, Max de gespierde sportman, Christine en Ann, de exen. “Aan elkaar verknoopte mensenlevens kan je onmogelijk weer ontwarren, had hij al gemerkt.” (blz.7)

De kracht van de roman schuilt hem in de losheid, de argeloosheid waarmee de schrijfster de steeds ingewikkelder wordende relaties beschrijft. Het begint met het lenen van de tuinstoelen, dan de garantstelling voor een tijdelijk verblijf, en al sluipende, raken de levens van de Roeselaarse broers Willem en Lionel in elkaar verstrikt en met hen de relaties van de anderen die op hen steunen. Soms leest de roman als een collage van Fellini; handelingen worden onomkeerbaar, tragische liefdesperikelen worden met carnavaleske ondertoon verwoord. Langzamerhand wordt duidelijk dat de keurige Willem, een “wezen zonder achterdocht” het tragikomische slachtoffer aan het worden is van zijn eigen brave levensmotto: “…een goed mens. Dat was iets wat goede mensen deden, toch? Anderen helpen. Bijstaan met raad en daad. Het klonk als een slogan van de Bond zonder naam, maar ergens diep vanbinnen had hij hun rechtdoorzee goedheid altijd geruststellend gevonden.” (blz.65)

  plantrekkers    Heleen Debruyne over haar debuut

 

“Maar te dicht op het vermeende mysterie zitten’…’onthult de banaliteit ervan.’ (Blz.155) Wat me tijdens het lezen verbaasde was dat Heleen Debruyne haar ‘expertise’, de relatie-schemer tussen afstand en nabijheid, als ‘schrijfster’ als het ware hergebruikt om in haar personages existentiële gevoelens van onzekerheid aan te boren. Bijna als een gifpijl door de pogingen van haar karakters heen om koste wat kost een eigen leven te hebben. De koene “plantrekkers” worden op sartriaanse wijze verslagen door de nabijheid van de ander. De liefde dreigt moeras te worden, en de toekomst een mist …met een hemel zo grijs dat een kanaal zich heeft uitgestrekt… en de fantasieën op afstand slaan om in verwarring als dezelfde gefantaseerde mensen te dichtbij komen:  “Sinds Willem met drie vrouwen op nog geen driehonderd vierkante meter woonde, vreesde hij dat niemand echt te kennen viel, de mensen die je dagelijkse leven bevolken misschien nog wel het minst.”(Blz.190). Hoe dichter de ander bij ons komt, des te ongrijpbaarder die lijkt te worden.

Het einde is prachtig, een onverwachte perspectiefwisseling geeft aan de gang der gebeurtenissen een onverwachte betekenis. Tragiek verandert door de rol van de zwijgzame, orthodoxe Mamoesjka uit Sint-Petersburg in een nieuwe start. Haar invloed op het herstel van de gespannen relatie tussen Willem en Lionel geeft aan de roman een bijna klassiek Grieks cachet. De broers van Roeselare winnen weer lucht…”Willem schudde zijn hoofd. Hoe had hij ooit, al was het nog zo kort, zo intens jaloers kunnen zijn? In het passeren dacht hij zijn blik te vangen en knikte hij hem toe, zoals hij deed toen hij nog niet wist wie hij was. Zag hij het goed, draaide hij zijn hoofd schichtig weg? Ach nee, hij had hem gewoon niet zien passeren. Dessert, dat moest hij nog kopen. Hier, of toch maar een appeltaartje van bij Lagae.” (Blz. 250) Willem, de ‘Roese’ is niet gebroken en de Vlaamse ‘lare’ wordt opnieuw ontgonnen, en de blije lezer van dit debuut luistert naar de Oostenwind over het vlakke land …avec le vent de l’est écoutez-le tenir le plat pays qui est le mien.

©Jan van Beersum

Facebooktwitterredditlinkedin

Categories: Boekbesprekingen

Tagged as:

Jan van Beersum

1 reply

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *