Menu Home

Meesters van de trillende prairie

Edwin Winkels, Het oog van de orkaan, (historische roman, Uitgeverij Brandt 2016) –

Ik ben voor sommige boeken een vermoeiende lezer. Altijd zoek ik naar een verborgen onderstroom, de tegenbeweging in de opeenvolging van gebeurtenissen, of zoals Joke Hermsen dat in haar essay over Virginia Woolf beschrijft: “de aanzwellende golven van die andere tijd”, “met de taal door de taal heen breken is de paradox van het schrijverschap” (Stil de Tijd, 2009). Onder de oppervlakte van gebeurtenissen en personages schuilt het andere verhaal, het waarom van de auteur die zich met een thema vereenzelvigd heeft vanwege een diepere reden. Maar wat als die zucht er niet is, op het eerste gezicht, als de tegenwind niet de reden is om te fietsen maar de bestemming, wat als een boek geen onderstroom beoogt, “klip en klaar” is (Matthijs van Nieuwkerk op de achterflap van Het oog van de orkaan)? Kan ik het dan zomaar afvinken, zo van, nou spiegelbeeld, dat heb ik ook weer gelezen?… Ach, daarom ben ik misschien ook zo vermoeiend voor sommige boeken, ze zeggen: laat me nou, dit is het gewoon en zo is het geschreven, maar dan komt het pas, ik geloof die sinistere kloktijd niet, die seconde-zweep van “de moderne mens” en duik vervolgens net zo lang de taal van het boek in tot ik een emotionele onderstroom zie terug-meanderen naar het beginpunt. Ik zoek naar het waarom van de schrijver; op welke manier een serie van chronologische handelingen weer uitkomt bij de bron van iemands oorspronkelijke wil. Mede daarom, en ondanks de lovende veren in de media vond ik Het oog van de orkaan in eerste instantie een lastig boek, want nóch de beschrijvingen van de ongeletterde wereld van het ileños-volk in Louisiana nóch die van de tien generaties Serpas-familie lijken bij eerste lezing dieper te gaan dan strikt noodzakelijk voor het chronologische verhaal. Ook de steeds terugkerende stijlfiguur van een grootouder met kleinkind, met de verdwenen tussen-ouder als aanleiding voor een schets van tientallen jaren geschiedenis, wordt al snel voorspellend. Het oog van de orkaan leest weliswaar als een trein (voor de scanners onder de lezers een voordeel), maar niet als het eindeloze wachten op een station (zonder mobiel). Toch bleef ik lezen, balans zoekend tussen geboeidheid en onbevredigdheid, omdat de spanning tussen Winkels’ vlotte, soms wat droge journalistieke schrijfstijl en het broeierige thema van een familie-epos van een geïsoleerd Spaans volk aan de monding van de Mississippi me nieuwsgierig genoeg maakte om dit boek te analyseren en te bespreken.

De gesloten ileños-gemeenschap in het Amerikaanse Louisiana kreeg in augustus 2005 een harde, bijna fatale klap te verduren toen de orkaan Katrina ook over Delacroix en St. Bernard raasde. Eigenlijk was dat de doodssteek voor de nazaten van een volk van 2100 zielen die tussen 1778 en 1783 vanuit de Spaanse Caraïben de Atlantische oceaan waren overgestoken en aan de sompige moerasmonding van de Mississippi hun plek hadden gevonden, hun nieuwe “Spaanse eiland”. Gedurende de jaren daarna, terwijl de burgeroorlog om de “slavenstaten” losbarstte, daarna door de olie-industrie het economisch potentiaal werd ontgonnen en New Orleans de culturele smeltkroes werd die we kennen, bleven de isleños in afzondering hun tradities koesteren, leerden het Engels niet en zo ontstond in de kleine dorpen aan de monding van de Mississippi een wonderlijke jagers- en vissersgemeenschap. Ze noemden hun wispelturige moeras  ook wel “de trillende prairie”. “Wat gisteren een stevige kleilaag was kon morgen slurpende blubber zijn waar je nietsvermoedend tot je middel in kon verdwijnen, reddeloos verloren als er niemand in de buurt was.”… En zo werden deze “isleños, vroeger bewoners van die kurkdroge eilanden bij Afrika, de meesters van het moeras.” (blz. 176) Een hardnekkige gemeenschap van dierentemmers, vissers, pelsjagers, smokkelaars en botenbouwers. Het was opmerkelijk dat deze “meesters van het moeras” steeds weer opnieuw de tegenslagen van water, wind en de stormram van Amerikaanse cultuur op hun manier wisten te overwinnen. En hoewel ze ongeletterd waren, waren ze verre van taalloos, want ze hadden de Décimas, melancholische gezangen over de humor van de dagelijkse tegenslagen, strofen die van ouder op kind werden doorgegeven. Veerkracht was hun idioom, maar toen in 2008, terwijl de moeizame wederopbouw van hun door Katrina uiteengeslagen gemeenschap nog gaande was, aan de vooravond van de olieramp in de Mexicaanse Golf, ook nog eens Irván Pérez, de laatste Décima-zanger overleed, leek het einde van hun isleños-cultuur voorgoed voorbij.

De bekende Nederlands- Spaanstalige journalist Edwin Winkels reisde in 2010 door dit gebied en schreef toen in mei op zijn blog de volgende woorden: …”zitten in de enige bar cq winkel van Delacroix Island, één van de vele plaatsen die kunnen doorgaan voor het einde van de wereld. Het zijn geen Mexicanen of Zuidamerikanen, praten zo Amerikaans als wat, een plat accent dat wel uit deze streek, Saint Bernard, van Louisiana zal komen. Het was een sportvisser die me er zaterdag op wees: “Ben je van een krant uit Spanje? Dan moet je naar de islenos aan de overkant van de rivier gaan.” Hij zei islenos, maar hij bedoelde isleños; die n-met-slangetje kennen ze natuurlijk niet. En zo ontdek je opnieuw een volledig onbekende (voor mij dan) geschiedenis.” Winkels komt achter een vissersgemeenschap die gebukt gaat onder de naweeën van Katrina en het vervuilde milieu van de Mississippi-delta door de zojuist gebeurde olieramp van BP in de Golf van Mexico. Hij merkt dat ze hun Spaanse afkomst alleen nog uit “ongelooflijke verhalen” kennen en raakt – hoe zal ik het zeggen, tot op het bot gefascineerd.

Zes jaar onderzoek, studie, interviews, schrijven en redigeren later, verschijnt bij Uitgeverij Brandt zijn bijzondere, historische roman over de isleños, verpakt in tien generaties familie-epos, en zet daarmee dit voor velen onbekende volk op de Nederlandse literaire kaart.  Het is de derde roman van journalist Edwin Winkels en een blik op zijn succesvolle werk onthult al snel zijn veelzijdige, gedreven en betrokken natuur. Immers, niet veel schrijvers doen het hem na om in hetzelfde seizoen zowel een boek over een geïsoleerd Spaans volk in Louisiana als een boek over jarenlange persoonlijke ervaringen in Barcelona met Johan Cruijff (+) te publiceren.

oogvandeorkaan   Over Edwin Winkels

Een familie-epos heeft altijd een fascinerende aantrekkingskracht op lezers gehad en biedt, zoals het beroemde Roots bijvoorbeeld laat zien, ook een prachtige gelegenheid om geschiedenis te vertellen. De stamouders, het kind dat weer ouder en later grootouder wordt en alles aan herinneringen, hoop en illusies doorgeeft, de conflicten die diepe scheidslijnen trekken in “de continuïteit van de familie”. het gevoel een genetische eenheid te zijn met vroegere generaties, maar vooral ook de aandacht voor de “verloren” mensen in de familie, die het net niet hebben gered of tegen de familie-moraal inwerkten en deze verlieten, met alle gevolgen van dien. Aan de hand van tien generaties “Serpa”-familie met hun wortels in Tenerife wordt door Winkels de geschiedenis van de Spaanse ileños in Louisiana verteld. De vier delen spelen zich achtereenvolgens af in de jaren 1825, 1873, 1927 en 1965, als ingrijpende historische gebeurtenissen centraal staan. Het kleinkind uit het voorafgaande deel is weer de grootouder uit het daaropvolgende deel, die dan met zijn eigen kleinkind de conflictsituaties probeert te herstellen van de tussenliggende ouder. En met dit mooie uitgangspunt wordt langzaam zichtbaar waarom de grootouders/kleinkinderen steeds weer voor het moeras bij Delacroix, voor de “trillende prairie” kiezen, “ons eiland,” zegt Amaro Serpas, “ons huis, de plek die we uitgekozen hebben om ons opnieuw te wortelen. Mijn opa deed dat via zijn kinderen. En zij weer via ons. En ik via jullie. “(blz. 120), maar als de ouder-figuren (tussen grootouders en kleinkinderen in) onrustig van aard zijn en steeds weer hun heil willen zoeken in het opkomende New Orleans sluipt het gif van de moderne tijd langzaam in de Serpas-clan binnen. “Voor de ogen is New Orleans betoverend, licht en levend, achter de rug een moeras van verderf, criminaliteit en dood. Een stad waar de vaderliefde is verdronken in een diepe poel van achterdocht. De genegenheid ligt er begraven, vertrapt door een massa in een ratrace naar het geld, de toekomst, de overleving.” (blz.141)

Het is dan ook niet de natuur die de isleños uit hun evenwicht brengt. “Zo is het leven, zeggen ze, hun leven. Zij hebben ervoor gekozen daar te blijven wonen, op een plaats waar de natuur niet te temmen valt en om de zoveel tijd zijn tol komt eisen…steeds weer opbouwen, soms bijna uit het niets…De isleños van het Eiland zijn als bies; je kunt het gras verbranden, afsnijden of plattrappen, maar altijd richt het zich weer op, sterker en hoger dan voorheen…een eerlijk gevecht, zonder valstrikken, zonder bedrog. Hij kondigt zich aan, de wind en het water waarschuwen altijd vooraf. De zwermen vluchtende vogels zijn een teken, net zoals de bij elkaar hokkende koeien in het land. maar er zijn geen betere voorspellers dan de muskusratten, die hun burchten hoger bouwen als ze hoog water voelen aankomen.” (Blz. 171) Als Lucas Serpas, de “morele autoriteit” van de familie in 1927 toe moet kijken hoe het Amerikaanse grootkapitaal uit New Orleans de dijk laat doorbreken naar de brakke moerasgebieden waar zijn familie 150 jaar lang wortel wist te schieten, weet hij dat de strijd gestreden is. “Zijn machteloze woede is tegen de mens gericht, de enige die in staat is het Eiland werkelijk te bedreigen…Nooit hadden ze kunnen vermoeden dat iemand hen in hun eigen paradijs, dat zich soms als een hel gedroeg, zou komen opzoeken of, erger nog, zou komen bedreigen en verstoten.” (Blz.176)… “Een orkaan verdiende meer respect dan een olieboorder. ” (Blz.296) De trouwe Serpas zijn niets minder dan zielsverwant met het water van de rivier waar ze wonen, de Mississippi zelf: “Duizenden en duizenden vaartuigen teisterden zijn rug; netten en hengels haalden het leven uit zijn dieptes, van zijn zandbanken en zijn oevers…Altijd zou hij zegevieren, zijn eigen weg kiezen, zelf bepalen over leven en dood. Hij had hier altijd gelegen. Hij was er het eerst, maar de mensen waren nieuw.” (Blz.115)

Ondanks de mooie krachtbeelden, zoals de Caraibische voodoopriesteressen, of de twaalf cipressen bij het Verloren Meer bleef ik in de roman maar zoeken naar de onderstroom, de terug-golvende laag waarom de schrijver zich met dit thema vereenzelvigen wil, en ging opnieuw kijken naar de tien generaties, van Antonio naar Catarina en bedacht me opeens dat al die generaties misschien wel één persoon waren – de projectie van één Spaanstalige persoon aan de monding van de Mississippi, nieuwsgierig, moedig, vechtend, onhandig, weer opkrabbelend, erop vertrouwend, dat “God, Meester van de voorbijgaande wereld” (Blz. 234) hem zal beschermen, waar dan ook, maar vooral hier, waar hij geworteld is in het moeras, “altijd zullen we van het eiland zijn” en daar wil blijven, maar uit zijn water-wind-pelsdieren-paradijs overvallen wordt door de Engels-Amerikaanse mens, waar hij dan maar in mee moet gaan, omdat de nieuwe tijd nou eenmaal moet beginnen en – belangrijk is. Maar aan het einde van de dag kijkt hij weer uit over het stille water bij Delacroix, huilt misschien wat zonder dat iemand het ziet en koestert dit water, de slagader van het land, “de grote winnaar van de strijd” en schudt zijn hoofd over hoe onze tijd de mensen gek kan maken: “Het water brengt goede dingen, zit vol met leven. Als het water slecht is, dan heeft meestal de mens dat veroorzaakt.” (Blz. 299) Hij voelt de stilte in hem zingen als een strofe uit een Décima. In de storm is het toch ook altijd stil, net als in het oog van de orkaan. Dat is de “eigen God. Door te zijn wie we zijn.” Dan kijkt hij naar het bord bij de trillende prairie van Delacroix met DEAD END erop en zegt in zichzelf : Er is helemaal geen dead end”, want uiteindelijk “is alles hetzelfde, en toch niet.”

Mooi boek dus. Soms verbergt de onderstroom zich even onder de bedding.

©Jan van Beersum

 

Facebooktwitterredditlinkedin

Categories: Boekbesprekingen

Tagged as:

Jan van Beersum

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *