Menu Home

Wayang Dodenrijk

Alfred Birney, De tolk van Java (roman, De Geus 2016) –

Hij viel mij op door een blogpost over de spellingcorrectie voor zijn nieuwe roman: “Toen men de aanelkaarschrijfziekte kreeg, haakte ik af. Dus ik schrijf volle maan en geen vollemaan. Helaas gaat dat vollemaan worden.” Het duurde 525 bladzijden voor ik erachter kwam dat Alfred Birney toch nog gewonnen had.  Maar nee, ik voelde geen euforisch yes-gevoel opkomen in een soort gezamenlijke strijd tegen Het Groene Boekje-dictaat. In de tussentijd was mijn kale Belanda hoofd namelijk hopeloos verstrikt geraakt in het labyrint van een weelderig behaarde schrijver.  Gelukkig was ik niet alleen. Want mijn Indo-Nederlandse  vrouw Annemarie las mee. Samen verdiepten we ons maagdraaiend in de slachtoffers van de Bersiap-tijd op Indonesië, in de dramatische ontwikkeling van de mooie Javaan Sie-Arto naar de gevreesde Arend Noland, en hoe zijn oudste zoon Alan het verborgen familieverleden had weten om te zetten in een groots 5-delig epos. Maar ook kwamen herinneringen boven – en met de herinneringen ontstonden pijnlijke vragen: ‘Je kan wel vergeven, maar niet vergeten,’ zei ooit mijn 98-jarige schoon-omi uit het koloniale Nederlands-Indië tegen me. Dus werd bij mijn vrouw het verleden van haar Indisch-Chinese familie van moederszijde opgewekt en hun landing in Appelscha – of all places. Ik zelf zag schimmige flarden van een vergeten verleden van vaderszijde, ik had toch een Arnhemse oom die KNIL-officier was geweest, trots rijdend in zijn jeep, ik had hem bezocht en geknuffeld als kind, en was er niet een koloniale naamgenoot geweest die had meegevochten in de Atjeh-oorlog? Ik zie nog zijn monsterboekje voor me uit 1899 met “mijn” naam erop. Voor Alfred Birney – dat kan niemand ontkennen – is het uiteenrafelen van herinneringen geen enkel probleem. Hij is een eerlijke schrijver, en een eerlijke schrijver verdient natuurlijk ook een eerlijke, geen zwijgende, laat staan verzwijgende Nederlandse lezer. “Dit is een cultuur die ik niet ken. Thuis zeiden we elkaar altijd onomwonden de waarheid, of dat nu leidde tot ruzie of niet…Het achterste van je tong laten zien is niet kwetsend. Hooguit vervelend voor de ander. Iemand zwijgend de groep uit kijken zonder ook maar een woord te zeggen, dat is een ander het recht niet gunnen zich te verdedigen.”(Blz. 234)

DE ZOON VAN DE VADER

“Bang om in slaap te worden verrast, legde hij zich onder het wakend oog van zijn eigen schaduw te rusten.”

Alfred Birney, De onschuld van een vis, Uitgeverij Contact 1995. Blz.103

De tolk van Java beslaat 5 delen en het duurt even voor je grip krijgt op het centrale thema, waarover later. Het eerste deel bevat aan de hand van vraaggesprekken, memoires en officiële uittreksels de introductie van de Haagse familie Noland. De moeder “het kamerolifantje”, een Helmondse schoenmakersdochter. En de vader “de kaalkop”, een na de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië in Nederland terechtgekomen Indo, technisch tekenaar bij Rijkswaterstaat. Ze krijgen vijf kinderen: Alan “gitaarindo”, zijn tweelingbroer Phil, Arti en de twee meisjes Mil en Nana. Alan Noland is het verwijtende en tegelijk beschermende, doorvragende, naar betekenis zoekende ik-personage van het epos, in wie we de gitarist-schrijver Alfred Birney zelf herkennen. Langzaam blijkt dat het jonge vijftiger jaren gezin onder de beklemmende atmosfeer komt van de getraumatiseerde vader, die een onbekend Indisch verleden gewelddadig uitleeft op de oudste jongens en zijn vrouw. De moeder verbergt haar verdriet van een ongelukkig huwelijk in dagelijkse schoonmaakwoede, wat onbegonnen werk is met een man die een bloeiend aquarium wil houden en eigenlijk heel Java wil nabootsen in huis. Naar de kinderen gedraagt ze zich koud, vertwijfeld, soms “die blik…met een hartgrondige afkeer van haar eigen Indische kinderen..Jullie komen van een andere planeet”, zegt ze. Op een dag gaat Alan naar de slaapkamer van zijn ouders om een voor hem streng verboden gitaar aan te raken en speelt E A D G B E.”…dié stemming, zo anders dan de harmonieuze krontjong- of Hawaiianstemmingen. De klank van die open snaren roept zelfs nu nog de herinnering in mij op aan de oorlogsboeken die rond dat brede bed van jullie lagen opgestapeld, en aan die koude mariniersdolk onder je hoofdkussen, voor het geval dat de een of andere Indonesische vrijheidsstrijder ’s nachts uit de lucht kwam vallen om jou de strot door te snijden uit wraak voor wat je allemaal had gedaan, dáár, ooit, op Java.” (Blz. 62). In het derde deel van de roman loopt het mis. Aan de hand van 37 chronologische herinneringen, van zijn vijfde tot aan zijn twintigste jaar zien we hoe het onveilige kinderleven van Alan Noland in zijn familie nog net niet door al het geweld ontspoort. Er is een leven voor 26 november 1964 en erna. “…sinds hij me een keer zo hard sloeg dat ik bijna stikte van ademnood…Ik was mijn bed uit gerend, op de vlucht voor een nachtmerrie. Ze reikten me een glas water aan, maar van de zenuwen beet ik het glas stuk.” (Blz. 210) Als blijkt dat het geweld te groot wordt, vlucht de moeder op die dag met haar kinderen, en wordt de vader gearresteerd. De Raad van de Kinderbescherming grijpt in en de vijf kinderen verdwijnen voor de rest van hun jeugd in internaten. De vader vecht alles jarenlang tevergeefs aan.  Alan komt samen met zijn tweelingbroer in hetzelfde internaat, maar het kwaad is al geschied. Alan ontwikkelt zich tot een wat introverte, gitaarspelende jongen die op het moment dat hij door een blanke weer eens racistisch gesard wordt doeltreffend uithaalt.  Op de leeftijd dat andere jongens met leuke meisjes rommelen en zestiger jaren muziek uitleven, zit hij in afzondering. Hij denkt na over zijn eigen jonge leven “Vrijheid is een deur kunnen openen en hem achter je kunnen dichttrekken. Simpel.” en beleeft de eerste liefde met een groepsleidster in de isoleercel. Als hij op zijn negentiende jaar uit het internaat vertrekt, woont hij eerst nog tijdelijk bij zijn vader in en daarna bij de vriend van zijn moeder. Maar zijn eigen volwassen leven gaat pas beginnen als hij de verloren gewaande memoires, de manuscripten die zijn vader over de eerste 25 jaar van zijn leven op Java geschreven heeft terugvindt in een hutkoffer bij zijn moeder. Stilzwijgend brengt hij ze terug: “Ik schoof het manuscript door de klep van zijn brievenbus, wierp de boodschappentas in de bosjes en liep terug naar de bushalte richting Den Haag. Het was zijn oorlog, niet de mijne. Nog niet.” (Blz.278)

detolkvanjava   Website en Blog van Alfred Birney

Film over de Birnie-familie, de koloniale tijd en de familie-achtergronden van Alfred Birney (1997)

 

HET DILEMMA, NEDERLANDSE MARINIERS OF INDONESIËRS

Het tweede en vierde deel van de roman bevat de getrouwe bewerking van de memoires van Arend Noland, de vader van Alan. “Hij liep niet kaarsrecht maar wat voorovergebogen, met zowel de verslagenheid van een treurend mens als het bewustzijn van een vechtjas die in een seconde in de gevechtshouding staat en snel en doeltreffend uithaalt.” (Blz. 225) In de vader herkennen we Adolf Birney uit de bovenstaande film over de familiegeschiedenis van de koloniale Birnies. De schrijver verwerkt zelfs de vaderlijke omzetting van de naam Birnie naar Birney als de omzetting van Nolan naar Noland, zodat van enige twijfel over de achtergrond van het personage geen sprake kan zijn. De Javaanse memoires beslaan eerst de geboorte en jeugd tot en met de overgave van Japan vlak voor zijn 20e verjaardag en daarna de Bersiaptijd tot aan de bootreis naar Nederland in 1950. In het eerste jeugddeel zien we hoe uit een door zijn familie onderdrukte jongen een gehaaide vechter tegen de Jappen ontstaat, die zijn unieke talentalent gebruikt om overal informatie los te krijgen over de bezetter. Hij sluit zich aan bij een gevechtselite van school, maar voelt zich als peranakan van een Belanda die hem niet erkent bij niemand thuis, niet bij de koloniale indo’s, waarop hij fysiek lijkt, en niet bij de inlanders. Rust en geborgenheid vindt hij, ondanks de lijfstraffen bij zijn betrokken Chinese kruidenmoeder Sie, zijn oom Soen en de magische Pah Tjillih. De vechtersbaas schuwt geen dubbelrol en al snel vallen zijn eerste doden, Japanners en “verraders”, waaronder een chef van de werkplaats waar hij werkt en Kamei, zowaar de vriend van zijn zus Ella. In het tweede deel zien we hoe uit deze jongeman een fanatieke commando ontstaat, een hele ‘goede’ eigenlijk, die ieder leger wel graag zou willen hebben. De jongeman vindt door zijn charme en talen bij iedereen ingang, maar verandert in een meedogenloze tolk die de Indonesiërs verhoort en martelt om informatie voor de mariniers los te krijgen om zo de landkaart voor de Politionele Acties voor te bereiden. Hij is degene die met zijn voeten in de modder van bloed durft te staan, en vooraan staat in daadkracht om de Indonesische rebellen zonder genade neer te schieten en honderden mensen uit de concentratiekampen van de pemoeda’s te bevrijden. Gevangenen maakt hij niet. Het is winnen of sterven. De jongeman gruwelt van de anarchie van de Indonesische vrijheidsrebellen na de Japanse overgave in 1945, het onthoofden van kinderen, de verkrachtingen, het afhakken van de ledematen. Is dit wat Soekarno’s vrijheid inhoudt? Hij is in alles soldaat en walgt van de slachtvelden van de inlanders. Hij wil een duidelijke ordening in de bevelsvoering, een militaire houding, een missie. Het koloniale KNIL kan niet vechten vindt hij, dus zoekt hij het eerst bij de Engelse en later bij de Nederlandse mariniers. Bij deze laatste slaagt hij, maar zal na vier jaar strijd toch nog de officiële oorlog verliezen, tegen zijn zin. Hij wil ook na de capitulatie nog doorvechten: “Innerlijk voerde ik dagelijks een hevige tweestrijd. Ik had talloze Indonesische vrijheidsstrijders naar het Walhalla gezonden, terwijl ik ook veel vrienden onder diezelfde vrijheidsstrijders kende. Ik kreeg het erg moeilijk met mezelf. Overgaan naar de TNI betekende voor mij hoogverraad jegens Nederland. Dat kon ik niet doen. Als ik sterven moest, dan als een marinier maar nooit als een verrader.” (Blz. 465) Het vierde deel van de roman is niets minder dan een 200 bladzijden tellend feitenverslag van de wreedheden van de Nederlandse mariniers en hun zwaar bewapende tolk-voorposten versus de wreedheden van de Indonesische rebellen. Een onthutsend document, een realiteitsverslag van zijn missies en de “chain of command” tijdens de Bersiap-tijd. “Wij, tolken, die in het land waren geboren en getogen en dus de mentaliteit van de Indonesiërs door en door kenden, waren de troeven in de handen van de Mariniersbrigade…Een bepaalde blik in hun ogen, verdachte beweging van hun armen, en ik wist al meteen wat voor vlees ik in de kuip had.” (Blz. 335) Arend Noland is niet bang voor de dood en zeker niet voor het directe gevecht om leven en dood. Het enige dat de tolk wél diep in de ziel treft is een dilemma dat hem “doet wankelen”, verwoord door zijn beste schoolvriend Radèn Soemarno, die zich heeft aangesloten bij de zwaar bewapende pemoeda’s, de Indonesische rebellen: “Ik begrijp niet dat jij aan de zijde van de Belanda’s staat…..Jij hoort hier thuis….Jij bent mijn broeder…Jij voelt je een Indo, maar waar waren al die Indo’s toen jij ze nodig had?” (Blz.288). Het is juist zijn eigen oudste zoon Alan die hem van kinds af aan tot op late leeftijd aan toe daarop zal aanspreken, vaak verwijtend, niet begrijpend. Waarom die ongewone keuze voor de koloniale Nederlanders, die hij tegelijk zo haat vanwege hun racisme en superioriteitsgedrag? Eerst krijgt Alan om die vraag klappen, “…Maar de allerlaatste keer dat ik mijn vader vroeg of hij uiteindelijk tóch niet aan de verkeerde kant had gevochten, toen heeft hij aarzelend geantwoord: “‘Ja, misschien toch wel, ja…’ …Ik lieg niet als ik zeg dat ik hoop dat hij dat niet meende. Want zoiets wens ik hem niet toe: het afgrijselijke inzicht dat hij volslagen verkeerd heeft gehandeld.” (Blz. 515)

 

SCHIMMENSPEL VAN HET DODENRIJK

still_wayang_revolus_20150414

Wayang kulit revolusie (Javaans schimmenspel voor de Indonesische revolutionairen 1947-1949)

“Lijken zijn opgestaan uit de modder en veranderen in wanstaltige gedaanten die me bedreigen in mijn dromen. Als ik schreeuwend wakker word uit een droom, komt mijn vader binnen om me een slaaptik te geven,” zegt de kleine Alan. Het vijfde deel van de roman gaat over de historische beeldvorming rond het vader-personage, en daarmee over schuld. Het eigenlijke thema van dit boek is schuld. Over hoe onbeantwoorde schuldvragen van de oorlogstijd overgaan in vredestijd, over de manier waarop de gedachten van kinderen slachtoffer worden van de oorlogen van hun ouders. “Ik lig in bed en volg het verbeten gehamer van de Arend op zijn Remington. Er zit ritme in zijn getik, soms lijkt het wel muziek. Hij verslijt één schrijfmachinelint per maand. en al weten we niet dat hij zijn oorlogsherinneringen op al die vellen papier zit te rammen, toch vullen mijn nachten zich met de geesten van hen die hij de dood in joeg. Ze komen me bezoeken, ze willen me wurgen want ik ben een zoon van de Arend…” (Blz. 175) De schrijver verwijst hier naar die ene schuld. Alle mensen die iemand gedood hebben kennen die, ook al sta je aan ‘de goede’ of aan ‘de foute’ kant, ook al zit je achter de straaljagerknop of grijp je iemand bij de keel. Ook al demp je het door welvaart of chemische middelen, en zelfs al word je nooit door uiterlijke wetgeving gestraft of gevonden. Die ene schuld kan niet uit je hoofd. Het is een eeuwenoude krijger-wijsheid. “Eens zal je ze voor je stervende ogen zien opdoemen, met vooraan de gestalte van de eerste persoon wiens dood jij op je geweten hebt,” zegt de Confuciaanse oma Sie. Daarmee wordt het donker geen rustoord, maar een bedreiging, bevolkt door anonieme aanvallers. Wat te doen? Opeens besef je: als de gedode slachtoffers gezichten krijgen, volle gezichten, verdwijnen dan die spoken in de onrustige nachten? Maar wie voelt zich geroepen om de schimmen te helpen, wie voelt zich sterk genoeg om in het dodenrijk te staan? “Ben je lijken aan het tellen? Wat is er met je aan de hand, man?” vraagt tweelingbroer Phil aan Alan. Ik zie als lezer door de hele roman in het wit van de bladzijden een Javaans schimmenspel opdoemen. De wayang is het oude bindingsmiddel van de Javaanse gemeenschap van voorouders en levenden. De ceremoniële functie van het herstel van de doden behoort toe aan de dalang, de wijze poppenspeler. Alleen de dalang kent de stijlfiguren van de muziek, kent alle verhalen van de voorouders en de afstammingslijn van de familie. Hij spreekt de dialogen uit en weet wie in het dodenrijk die ene schuld weer kan vergeven. Tempoe Doeloe mag dan voor de schrijver shit zijn, voor mij is Alfred Birney een echte dalang.

Terwijl de tweelingbroers Alan en Phil via internet bekvechten over het waarheidsgehalte van de hoeveelheid gedode Indonesiërs door hun vader tijdens de wrede Politionele Acties, overlijdt de tolk van Java in 2005 op zijn 80e verjaardag eenzaam in het Spaanse Malaga. “De patriarch sterft en meteen is het anarchie binnen de familie.” Maar op het moment van familiaire verwarring slaat de schrijver toe met een geweldige stijlfiguur. Hij laat zijn Chinese grootmoeder spreken tegen haar eigen hoogbejaarde, stervende zoon. Ze staat tussen de schimmen, tussen alle omgebrachte mensen in het dodenrijk: “Jouw vrienden die eerst de kant van de Nederlanders kozen, tot inkeer kwamen en toen voor de Indonesiërs zijn gaan vechten, ook zij zijn in ons midden. Zij hier, wij allen, kennen geen wrok of haat. Er is voor jou geen reden om nog langer te vechten tegen de dood die rond jouw huis waart in de hete nachten van Malaga. Ben jij eenmaal hier, dan zullen de nachtmerries van jouw zoon verdwijnen en hij zal jou alles vergeven wat jij met je oorlogszieke geest jouw vrouw en kinderen  met je broekriem en je bebloede vuisten hebt aangedaan. Hij zal gaan begrijpen dat jij met je romantische ziel niets anders wilde dan vechten voor een blanke koningin die in jouw fantasieën de ganse dag op een troon zat met het volk buigend om haar heen, zoals bij ons in de oude tijd. Hij zal inzien dat je het niet in eigen hand hebt hoe je als mens geboren wordt en wat je weg is in het leven. Dus vecht niet langer in je dromen en kom tot ons, opdat wij samen kunnen waken over de weg die jouw zoon nog moet bewandelen.”(Blz.527)

Zo verlost oma Sie, “…een eenvoudige Chinese huisvrouw…maakte haar eigen ketjap bij wassende maan in de achtertuin…” dus haar kleinzoon Alan uit zijn nachtmerries en bevrijdt hem van de “…Schimmen. Stemmen, van heel lang geleden…”(De Onschuld van een vis, 1995). In de onrustige, slaapwandelende en nachtbrakende Alan, die altijd maar “tegen mezelf pratend…mijn binnenste geeft antwoord…Deze woorden schrijf ik ’s nachts.” ontstaat een leven zonder nachtmerries “net als ieder ander mens”. Dat is schoonheid. Ik denk even met warmte aan deze onverwachte rol in Birney’s epos van zijn Javaanse oma Sie, die alle kruiden en geneeswijzen kende en ketjap maakte “bij wassende maan.” Niet wassendemaan lees ik trouwens, aan elkaar geschreven, maar wassende maan, los. Net zoals ik gelukkig niet vollemaan bij Birney lees, zoals de belegen Belanda’s in Hun Groene Boekje op blz. 1082 van hem wilden, maar volle maan, los, zoals die alleen maar boven Soerabaja schijnen kan. Birney is de zoon van de tolk van Java. Hij weet wat hij doet als hij iets opschrijft. De vader gebruikte weliswaar de taal om onbekende Japanners en Indonesiërs het zwijgen op te leggen. Maar de zoon geeft met zijn taal al die vreemde silhouetten uit de vaderlijke schimmenwereld weer een smoel, een volle smoel.

“In flashbacks zie ik mijn vroegere leven aan mij voorbijtrekken. Beelden van de slaag waarmee ik ben grootgebracht. De gruwelen tijdens de Japanse bezetting. Het geweld aan het begin van de Indonesische revolutie. Het kan mij weinig meer schelen of ik zal sneuvelen of niet…al mijn eigendommen moeten gegeven worden aan mijn moeder Sie Swan Nio. De marinierskapel moet bij mijn begrafenis ‘Moonlight Serenade” van Glenn Miller spelen.”

Arend Noland, 21 jaar, 20 Juli 1947 aan de vooravond van de Eerste Politionele Actie

 

© Jan van Beersum 2016

 

Facebooktwitterredditlinkedin

Categories: Boekbesprekingen

Tagged as:

Jan van Beersum

1 reply

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *