Menu Home

Wachters van de aarde, over Rein Bloem

Een mijmering in de Amsterdamse Hortus Botanicus over mijn leraar Rein Bloem (1932-2008) –

‘Nu heeft men nog niet de aarde in de schelp getrapt…’ (Rein Bloem over het ijzerhard-kruid tussen de stenen van Piazza del Campo in Siena, 1998)

Op een bankje in de kruidentuin van de Amsterdamse Hortus zit ik te lezen. Het is bijna sluitingstijd en ik heb het boekje bijna uit. In de verte klinkt de dame met de bel al. Maar ik heb misschien nog net tijd voor de laatste bladzijde. Vanaf het speelhuisje, ook wel het zaadkoepeltje genoemd, zie ik een jonge vrijwilliger langskomen, zwijgend, de armen over elkaar tijdens het lopen. Ik heb geluk, want hij kijkt me even aan. Dat doen ze niet vaak.

Je leert ze kennen als je de Hortus leert kennen. De vrijwilligers. Met hun aandacht en gegroefde handen bewaken ze meer dan vierduizend plantensoorten. Hun ogen, onder het luifel van een bezorgde voorhoofd-rimpel, zien dingen die jij niet ziet. Hun voeten zijn het liefst bloot of in sandalen, omdat hun tenen één willen zijn met de wortels van een kokerboom. Maar vergis je niet, hun blik verraadt immense afstand.

Vreemd genoeg schaam ik me, niet wetend waarom sla ik mijn ogen neer. Het voelt meteen als een gemiste kans. De vrijwilliger loopt verder en ik kijk hem vanuit mijn ooghoeken na. Uit zijn vale legergroene T-shirt dampen de zweetplakken van een mysterieus gedrag. Is hij in zijn gedachten misschien bezig om een aantal nieuwe stekken van een zeldzame epifyt te kweken, een soort te redden die bedreigd wordt door de mens? Ik durf het hem niet te vragen. Misschien stoor ik hem. Ik ben immers een buitenstaander.

De grens wordt scherp getrokken in de sociale perkjes van botanische tuinen. Als de zon schijnt en de gasten stromen toe, lijken de medewerkers te versomberen, maar als het regent en er zijn weinig toeristen, verschijnt er een glimlach om hun verzuchtende mond. Niet wij, maar zij zijn de werkers, de vrijwilligers van de Hortus. De wachters van de aarde.

Het boekje dat ik op mijn bankje lees heet: De weg der wonderen. Pelgrims tussen Pavia en Rome. Het is geschreven door de inmiddels overleden dichter Rein Bloem. In de tachtiger jaren was hij mijn leraar Nederlands op D’Witte Leli. Hij is ten onrechte ongelezen, want in al zijn charme en bescheidenheid was hij voor mij één van de grootsten.

In de klas kon hij met gemak overschakelen van Homerus, Griekse tragedies, filmscenario’s van Hitchcock of Antonioni naar de humor van eenden. ‘Eenden verbijsteren me. Ik lig helemaal dubbel.’  En met hem de hele klas, die hem hoorde vertellen over de wonderlijke route van twee slobeenden die op hun eigen lompe maar doelgerichte wijze waggelden van hun verscholen plek onder een struikgewas naar een vijver met lonkend, brak water. Zo was Rein Bloem. De zintuigen op de voorgrond. Eerst kijken, tasten, weer kijken, verwonderen – dan pas schrijven.

Toen ik tijdens mijn examen over de Tachtigers de strofen van de Mei van Herman Gorter uit mijn hoofd begon te reciteren, schreef hij na een paar minuten luisteren op: ‘Met lof geslaagd.’ Hij streek lachend met zijn slanke handen door zijn donkere kroesbaard. De rest geloofde hij wel. Op een dag las hij mijn gedichten. Hij wilde daarover praten en dus nodigde ik hem uit bij mij thuis aan de Derde Oosterparkstraat.

Rein Bloem Rein Bloem (1932-2008)

Aan het begin van de tachtiger jaren hadden de beschavingsnormen van de ratio mij nog niet bereikt. Ik had in mijn huiskamer een lange roze wand geschilderd met als in een optocht grote, zwarte schimmen. Vervolgens had ik het tafereel verlevendigd met allerlei Lucebert-achtige vredesgedichten tegen de koude oorlog. In een oude, beschimmelde stoel van de straat zat hij tegenover mij met ironische lipbewegingen te kijken naar de teksten en figuren op mijn roze wand. Zoals altijd glansden zijn weemoedige, blauwgroene ogen me vriendelijk tegemoet, terwijl hij licht van de koffie slurpte.

Plotseling gooide hij mijn gedichten met een tragikomische zwaai op de vloer, behalve één, die hij langzaam met een wat hoge, melodieuze stem begon voor te lezen. Een rijmend sonnet met als titel: “Wachters van de aarde”.

Ik had een gedicht geschreven over een kleine groep mensen die de planten en dieren op aarde beschermden tegen de plundering van de technische industrie. In lyrische bewoordingen vertelde ik hoe hun brein onder de schedelplaten tot een bloem was geëvolueerd, ze waren de zaadknoppen van de aardse natuur geworden Dankzij deze wachters, leefden wij, bestonden wij nog. Het was een soort dankgedicht.

Hij keek mij na het voorlezen lang aan. Het sonnet ontroerde hem zichtbaar. ‘Dit is mooi. Dit is echt.’ In de grote ogen die mij aankeken zag ik een zee van woorden die naar boven wilden klimmen, als algen uit de rotsbodem. Ieder wier was een baken van Odysseus naar zijn thuishaven, Ithaka. Zo’n reiziger was Rein Bloem ook. Een pelgrim die ogenschijnlijk argeloos door het leven wandelde om naar het verborgen, grillige thuisleven van de aarde te zoeken. Een aarde die moderne mensen niet meer kunnen zien. Maar hij kon dat nog wel. Het was een talent dat hem ook ongrijpbaar maakte, bijna schichtig. Hij dronk snel zijn kopje koffie leeg en zei: ‘De wachters van de aarde, Jan. Daar moet je wat mee. De wachters van de aarde.’ Ik wilde hem natuurlijk om uitleg en advies vragen, om hulp, maar de meester keek onrustig op zijn horloge. Het was tijd om te gaan.

In de Hortustuin komt de dame met de bel langs. Vijf uur luidt ze. Het signaal voor de gasten om te vertrekken. Ik ga, maar wil eigenlijk niet. Terwijl ik opsta, kan ik de neiging niet weerstaan om het boekje van Rein Bloem op het bankje in de kruidentuin achter te laten. Ik heb hem uit, maar misschien komt de jonge vrijwilliger nog even langs en ziet hem liggen.

©Jan van Beersum 2016

Facebooktwitterredditlinkedin

Categories: Blog

Jan van Beersum

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *